Einde handhavingsmoratorium
De belastingdienst heeft op 9 september jl. aangekondigd vanaf 1 januari 2025 volledig te gaan handhaven op schijnzelfstandigheid. Er gold een zogeheten handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid, maar die is per 1 januari aanstaande ten einde. Op de website van de Belastingdienst wordt het volgende aangekondigd:
“Op 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst volledig handhaven op schijnzelfstandigheid. Bedrijven en organisaties die mensen als zzp’er inhuren voor werk dat zij niet zelfstandig uitvoeren, kunnen dan weer een boete en naheffingen krijgen. Daarbij geldt een overgangsperiode van 1 jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. De opheffing van het handhavingsmoratorium is een van de maatregelen die het kabinet neemt om schijnconstructies te bestrijden en draagt bij aan meer zekerheid op de arbeidsmarkt.”
Dit is in eerste instantie een waarschuwing aan de opdrachtgevers van zzp’er, die in 2025 het risico lopen door de Belastingdienst als werkgever te worden aangemerkt, met alle fiscale gevolgen van dien, zoals naheffingen. Maar, zoals hieronder zal blijken, beperken de mogelijke gevolgen zich niet alleen tot het fiscale en is de reikwijdte van de beboeting niet beperkt tot de directe opdrachtgevers van de zzp’er. Ook de opdrachtgevers van deze opdrachtgevers kunnen tegen sancties aanlopen.
Wat is schijnzelfstandigheid?
Laten we eerst even stilstaan bij de vraag wat schijnzelfstandigheid eigenlijk is. Op de website van de Kamer van Koophandel staat een heldere definitie:
“Schijnzelfstandigheid is een situatie waarin u een opdracht aanneemt als ondernemer, maar eigenlijk in loondienst bent. De opdrachtgever is dan uw werkgever die zijn verplichtingen niet nakomt naar de Belastingdienst en naar u. De Wet DBA (deregulering beoordeling arbeidsrelatie) maakt u samen verantwoordelijk voor afspraken over de werkrelatie. Zo voorkomt u schijnzelfstandigheid.”
Van zelfstandigheid (en dus geen schijnzelfstandigheid) is sprake als:
- Er is geen gezagsverhouding tussen de zzp’er en de opdrachtgever:
- De zzp’er geen aanwijzingen of instructies krijgt over de wijze waarop de opdracht wordt uitgevoerd;
- De inhurende partij geen controle uitoefent en/of ingrijpt op het werk van de zzp’er gedurende de opdracht;
- De zzp’er zelf de uren en dagen bepaalt waarop gewerkt wordt;
- De zzp’er geen aanspraak kan maken op rechten die een werknemer wel heeft, zoals ziekteverlof, vakantiedagen, of pensioenvoorzieningen.
- De zzp’er in eigen werkmateriaal investeert en geen dienst- en kantoormateriaal aanvaard van de opdrachtgever.
- Vervangbaarheid: De zzp’er kan het werk ook door iemand anders laten doen.
- Doet de zzp’er de opdracht voor eigen rekening en risico:
- De opdracht een concreet resultaat heeft dat in de verklaring is omschreven;
- De opdracht een einddatum heeft waarop het eindresultaat beschikbaar is;
- De financiële risico’s voor extra werk liggen bij de ingehuurde zzp’er.
Benadrukt wordt dat het bovenstaande zeker niet uitputtend bedoeld is, maar bedoeld wordt om u een goed idee te geven wanneer een zzp’er en opdrachtgever in de gevarenzone zitten van de schijnzelfstandigheid.
Een goede tool voor opdrachtgevers en opdrachtnemers in een eventuele schijnzelfstandigheid te toetsen is deze pagina van de Belastingdienst.
Schijnzelfstandigheid en de Arbeidsinspectie
Bij een vaststelling van schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst is de kous in veel gevallen niet af. Ook de Arbeidsinspectie kan veelal boetes opleggen. In het meerjarenplan van de Arbeidsinspectie over 2023-2026 staat het volgende:
“Een effectieve aanpak van eerlijk werk moet ook bezien worden in de context van verschillende schijnconstructies die werkgevers gebruiken als verdienmodel om loonkosten te drukken. Er zijn werkgevers, bemiddelaars en andere actoren die op de arbeidsmarkt gebruikmaken van deze schijnconstructies. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie en benadeling van werkgevers die het belang van hun personeel en eerlijke concurrentie wél voorop- stellen. Bovendien ondermijnen deze constructies het stelsel van arbeidsrecht, sociale zekerheid en belastingen. De Nederlandse arbeidsmarkt ken- merkt zich door een veelvormigheid van toegestane arbeidsrelaties die hier onbedoeld aan bijdragen.
De minister van SZW kondigt in haar hoofdlijnen- brief over de arbeidsmarkt aan dat voor de veranderingen op de arbeidsmarkt een overheid nodig is die zich uitspreekt. Hiervoor stelt de overheid maatschappelijke normen en corrigeert ongewenste ontwikkelingen. Daarbij hoort ook handhaving op bijvoorbeeld schijnzelfstandigheid.”
Wij lezen dit als een aankondiging van de Arbeidsinspectie dat zij, net als de Belastingdienst, voornemens is te gaan handhaven op schijnzelfstandigheid.
Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav)
Wordt schijnzelfstandigheid vastgesteld bij een vreemdeling (in deze context iemand die niet een EU-nationaliteit bezit), dan loopt de opdrachtgever het gevaar op een boete van €8.000 wegens overtreding van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav). Daarin wordt, onder andere, bepaald dat het verboden is een vreemdeling te werk te stellen, zonder daarvoor uitdrukkelijke toestemming te hebben. Een aantal verblijfsvergunningen staat vrije toegang tot de arbeidsmarkt toe, maar veel verblijfsgunning behelzen juist een beperkte, of geen toegang tot de arbeidsmarkt.
Een bij ons veel gehoord voorbeeld is die van de buitenlandse studenten. Volgens hun verblijfsvergunning mogen zij alleen met een tewerkstellingsvergunning in loondienst werken en dan nog maar voor maximaal 16 uur per week. Als de Belastingdienst bij een buitenlandse student die bijvoorbeeld als zzp’er werkt voor restaurant in de bediening, schijnzelfstandigheid vaststelt, dan betekent dit automatisch dat de ‘opdrachtgever’ in overtreding is van de Wav omdat er geen tewerkstellingsvergunning voor handen is. Het wordt nog erger als zou blijken dat de student voor meer dan 16 uur per week heeft gewerkt.
Boeteoplegging op grond van de Wav kent de zogeheten ketenaansprakelijkheid. Ook de opdrachtgever van de opdrachtgever en zelfs diens opdrachtgever kan voor het volle boetebedrag beboet worden. Terug naar ons voorbeeld van de buitenlandse student: Stel hij wordt door de restauranthouder voor een cateringklus ingezet bij bedrijf X. In het geval van vaststelling van schijnzelfstandigheid door de belastingdienst, kan de arbeidsinspectie zowel de restauranthouder als bedrijf X voor het volle boetebedrag beboeten. En als bedrijf X nog een opdrachtgever heeft, dan loopt ook die het risico op een boete.
Wet minimumloon en vakantiegeld (Wml)
Het houdt echter niet op bij de Wav, en dus niet bij eventuele buitenlandse (schijn) zzp’ers. De Wet minimumloon en vakantiegeld (Wml) ziet erop toe dat alle werknemers recht hebben op een loon dat ten minste gelijk is aan het wettelijk minimumloon en op vakantiegeld.
Als blijkt dat een zzp’er, die aangemerkt wordt als werknemer, op basis van het gewerkte aantal uren onder het minimumloon verdiend heeft, dan wordt de voorheen opdrachtgever en nu werkgever hiervoor beboet. Dit geldt ook voor vakantiegeld. In de regel krijgt een zzp’er geen vakantiegeld, waardoor een overtreding hiervoor al gauw aan de orde is.
In het voorbeeld van onze buitenlandse student gaat dit ook op. Dus daarvoor kan zowel een boete volgen voor overtreding van de Wav als van de Wml.
Conclusie
Het is duidelijk dat er met ingang van 1 januari 2025 veel gaat veranderend voor zzp’ers en opdrachtgevers. De Belastingdienst en de Arbeidsinspectie hebben heel duidelijk gemaakt dat zij gaan handhaven op schijnzelfstandigheid. Het risico op torenhoge boetes is heel reëel.
Wij hebben de laatste tijd vanuit onze clientèle meermaals vernomen dat hun (grote) opdrachtgevers door zowel de Belastingdienst als de Arbeidsinspectie gewaarschuwd zijn voor de aankomende handhaving en dat zij hun zaken op orde moeten krijgen.
Vragen over schijnconstructies en de Arbeidsinspectie? Bel ons, 020 2232466, of stuur ons een email, info@arslanlitadvocaten.nl. Wij staan u graag te woord!
Auteur: mr. B.D. Lit


